Vrede voor de Stad

VREDE VOOR DE STAD

Prof. Dr. Anton Wessels was dit jaar weer gastspreker tijdens de 9e Culturele Week en Boekenbeurs van de Islamitische Universiteit Rotterdam. Hij had vorig jaar ook gesproken tijdens de 8e Culturele Week, daarbij was het onderwerp van zijn lezing:  Een verhaal van twee steden: Jeruzalem en Babel. Babel de stad van het onrecht en onderdrukking en Jeruzalem: de stad van vrede en gerechtigheid. Je kunt ook spreken van Mekka en Medina. Mekka tijdens het eerste optreden van de profeet Mohammed als de stad van het onrecht, vervolging en onderdrukking,  en de stad Medina, als het model, het symbool van de stad van gerechtigheid en vrede: Medina al-munawarra, ‘de lichtstad’. De profeten in deze drie boeken van Abraham tot en met Mohammed roepen op te breken met de stad van het onrecht – Exodus, de Uittocht, de hidjra,  en op weg te gaan naar de stad van gerechtigheid en vrede. 

Dit jaar ging Anton Wessels  door met waar hij vorig jaar gebleven was: Wat is dan het éne verhaal van die drie boeken als het gaat om de vragen  van geweld, vergelding, oorlog (heilige oorlog en djihâd) ?

De centrale vragen in zijn lezing waren: “ Wie zijn de vijanden en hoe moet daarmee worden omgegaan ?  Hoe wordt gedacht over wraak en vergelding”? 

Ook sprak Anton Wessels over de verwarring die er  bestaat en die mensen vaak gebruiken als ze het hebben over de  oorlogen die vandaag de dag gevoerd worden, althans de aanleidingen daartoe, er wordt nogal eens beweerd dat het uiteindelijk ligt aan de godsdiensten: Christendom tegen de Islam. Islam tegen het Jodendom en het Christendom. En sommigen vinden daarom dan ook dat je die heilige boeken maar het beste kunt verbieden.

De eeuwen door hebben christenen en moslims niet alleen oorlogen tegen elkaar gevoerd maar ook christenen en moslims onderling. Rooms Katholieken tegen  Protestanten, soennieten tegen sjiieten. En dan haalden zij God en Bijbel en Koran teksten erbij om die oorlogen te verdedigen, te rechtvaardigen.

Is dat ook echt zo vroeg Wessels zich af, ligt het echt aan de godsdiensten? 

“Is het geoorloofd de drie boeken zo te gebruiken? Is het zo dat gezegd wordt dat de eindzege wordt bereikt door de vijandige stad van het onrecht, door geweld en oorlog te verwoesten? Wordt de mens in die boeken opgeroepen oorlogen te voeren, oorlogen des Heren?  Is de oplossing dan om die boeken te verbieden dan wel passages eruit te schrappen?” Volgens Wessels niet: “Dat is niet de weg. Geprobeerd zal moeten worden naar de Bijbel en de Koran als een verhaal van twee steden goed te luisteren. Wie is de eigenlijke vijand en hoe mag en moet die bestreden worden”?

 Wie zijn  de vijanden van God en de mens?

De eerste vijand van de mens waarmee de mens in het Bijbel en Koran verhaal geconfronteerd wordt is de satan, Iblîs, Diabolos of de duivel. Adam en Eva worden voor deze vijand gewaarschuwd 20:117). Satan is een klaarblijkelijke vijand. In zijn voetstappen moet men niet treden (Q 24:21). Als een rode draad lopen door de verhalen in de de drie Boeken die van de vijandschap ten opzichte van de onrechtvaardige heersers. Dat zijn vooral de leiders van de grote machtscentra: Assyrië, Babylonië, Egypte, Perzië, Griekenland en Rome. . 

De vijanden waar het volk Israël met name mee te maken krijgt zijn de Amalekieten.  De Amalekieten groeien uit tot dé vijanden van de kinderen Israëls bij uitstek! Agag is de naam dan wel titel van de koning van Amalek (Nu 24:7). Waarom worden zij zo zwaar veroordeeld? Hoe heeft Amalek die slechte naam gekregen? Wel de Amalekieten hebben op zijn woestijnreis van Egypte naar Kanaän de achterhoede van het volk Israël overvallen, zo wordt uitgelegd. Zij hadden het daarbij vooral op de zwakken, de vrouwen en de kinderen gemunt (Dt 25:18). In de Thora wordt gesproken over het zich herinneren van wat Amalek het volk heeft aangedaan.

Anton Wessels behandelde op een zeer wijze en belezen manier de kwesties rondom vergelding en wraak in de Bijbel en Koran. Hij zei: “Kennelijk mag men volgens Bijbel en Koran wel doden als het om vergeldinggaat.  In het eerste Bijbelboek staat: Wie bloed van mensen vergiet, diens bloed zal door mensen vergoten worden, want God heeft de mens als zijn evenbeeld gemaakt’ (Gn 9:5,6).  Soms is in plaats van een vergelding, een schadevergoeding of een afkoopsom voldoende (Ex 21:30). Er wordt een genoegdoening bepaald, die overeenstemt met de aangerichte schade. Vergelding in de zin van het ‘recht van vergelding’ (jus talionis).  Hier wordt dus  het gelijkheidsbeginsel gehuldigd: ‘leven voor leven, hand voor hand, voet voor voet, blaar voor blaar, wonde voor wond, striem voor striem (Ex 21: 24,25; Q 5: 45). Hetzelfde geldt voor de Koran (Q 2:178), namelijk een proportionaliteit tussen misdaad en straf. Zo’n regel klinkt ons ‘moderne mensen’ wel nu erg hard in de oren. Men moet er echter wel op letten en weten hoe dat oorspronkelijk bedoeld is. Een dergelijke wetgeving wil paal en perk stellen aan een grenzeloze, ongelimiteerde vergelding.

In de tijd vóór de komst van de islam, die wel de ‘tijd van de onwetendheid‘ genoemd wordt, werd ook blijkens de Arabische poëzie met verachting neergekeken op barmhartigheid, gematigdheid en compromis. In die tijd wordt geweld, zelfs tot het punt van moord en het verlangen naar strijd en wraak verheerlijkt: Iemand die je kwaad doet, moet je tweemaal zo erg verwonden. De vóór-Islamitische praktijk van tribale twisten met disproportionele vergelding wordt door de Koran opgeheven.

Eigenlijk – en dat is erg belangrijk om te weten en te onthouden – het is God zelf aan wie alleen vergelding, gericht, wraak en straf toekomen. ‘Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden zegt de Heer volgen Paulus met aanhaling van de Thora (Romeinen 12:19; Dt 32:35). Wraak is een attribuut van God (Q. 3:4;5:95; 14:47; 39:37). ‘De Wreker’ wordt als een van der schone namen God beschouwd. Daar heeft God ons niet voor nodig.”

Verder vervolgde Professor Wessels:  “In feite bevestigt de Koran de boodschap van Oude en Nieuwe Testament op dit punt. Dezelfde gedachte wordt ook in de Koran naar voren gebracht. Het goede te laten prevaleren boven het kwade. Het goede doen is het antwoord op kwaad, want zulke acties hebben een gezond effect op degene die kwaad doet. ‘De gelovigen zijn degene die het slechte met het goede afweren’ (Q 13:22). De taak van de gelovige is op te roepen tot de weg van uw Heer met wijsheid - hikma het Arabische woord voor chokma– en schone of goede vermaning.  Als de vijand echter zulke goedheid afwijst, dan is gebruik van geweld geoorloofd mits het in overeenstemming is met de eisen van gerechtigheid. Maar in dát geval adviseert de Koran om zacht of toegevend te zijn ten opzichte van degene die ons kwaad heeft aangedaan. Als hij berouw heeft moet hij vergeven worden. De Koran raadt aan de vijanden en die ons verkeerd hebben aangedaan te vergeven. Wanneer iemand echter vergeeft en bereid is tot eenvergelijk, (compensatie, een verzoening), laat God hem een beloning ten deel vallen (Q 42:37-40)”.

 Eén boodschap van de drie boeken ten aanzien van vergelding

Professor Wessels vervolgde zijn verhaal met de volgende samenvattende woorden:

“Om samenvattend de vraag te beantwoorden hoe in de drie boeken het verhaal omtrent vergelding, straf en verzoening verteld wordt, is het goed die tekst uit de  Koran aan te halen, die tot de laatst geopenbaarde behoort. Daarin wordt de boodschap van de drie boeken ter sprake gebracht  in onderlinge verhouding tot elkaar: de Thora (Tawra), het Evangelie (Indjil) en de Koran. De boodschap van de profeet Mohammed richt zich namelijk – in datzelfde hoofdstuk dat over Kaïn en Abel (zie boven) spreekt – eerst tot de joden, dan tot de christenen en dan tot de moslims om zich tenslotte tot alle drie tegelijk te richten. En de context is de vraag van geweld en vergelding en in verband met de vragen die de mensen van het Boek in de stad Medina daarover hebben gesteld. 

Eerst richt de Koran zich tot de joden, de mensen van de Thora (Tawra):

‘Wij hebben hun (de joden) in de Thora voorgeschreven: 

Leven om leven (vgl.  Dt 19:21), oog om oog, neus om neus, oor om oor en tand om tand; ook voor verwondingen is vergelding. In alle gevallen is vergelding voorgeschreven. 

Maar voor wie van dit recht afziet dan geldt dat als verzoening (kaffara).

En diegenen die niet een oordeel vellen  volgens wat God heeft geopenbaard, dat zijn de onrechtvaardigen’. 

En dat tot de christenen gericht, de mensen van het Evangelie (de Indjîl).

En Wij hebben Jezus, de zoon van Maria, in de voetstappen van de profeten van de kinderen Israël laten volgen om  te bevestigen van wat er van de Thora voor zijn  tijd al was. Wij gaven hem het Evangelie waarin een leidraad en een licht  is, ter bevestiging van wat er van de Thora vóór zijn tijd al was en als een leidraad en aansporing voor de godvrezende. En laten de mensen van het Evangelie oordeel vellen volgens wat God daarin heeft geopenbaard. 

En wie geen oordeel vellen volgens wat God heeft geopenbaard, dat zijn de wetsovertreders.

Tot de moslims gericht: 

En Wij hebben het boek van de waarheid (namelijk de Koran) aan jou (Mohammed), geopenbaard om te bevestigen wat er voordien  van de Schrift (het Oude en Nieuwe Testament) al was en om erover te waken (om er uitsluitsel over te geven). Oordeel dan tussen hen volgens wat God aan jou heeft geopenbaard en volg hun persoonlijke begeerten niet in afwijking van de waarheid die tot jou gekomen is. 

Dan tot allen  gericht: 

Voor een ieder van jullie hebben wij een norm en een weg bepaald. En als God het gewild had, zou Hij jullie tot één gemeenschap gemaakt hebben, maar Hij heeft ieder van jullie in wat jullie aan openbaring gegeven is op de proef willen stellen. Wedijvert dus met elkaar in goede daden. Zo zullen jullie eens allen tezamen tot God terugkeren. Hij zal jullie vertellen waarover jullie van mening verschillen (Q 5:44- 48).  

De drie boeken zijn ontstaan en geschreven, zo je wilt, in een wereld van oorlog en geweld. In die zin wordt er een zeer realistisch en reëel verhaal gegeven. Het kwaad dat de mens in deze wereld overkomt behoeft men niet zomaar over zijn kant te laten gaan. Er zijn kennelijk situaties denkbaar dat je mag ‘vergelden’. Er zijn drie mogelijke antwoorden of reacties op fysieke verwondingen: vergelding, bloedgeld of vergeving. Ook al mag je misschien vergelden, nadrukkelijk zeggen alle drie Boeken dat het toch beter is een andere weg te kiezen.  

Vaak is een dergelijk beroep op verzoening, of op het niet vergelden, en geweldloosheid met name de verwijzing naar de Bergrede van Jezus en de mogelijke relevantie daarvan voor de politiek, afgedaan als naïef, geiten – wollen – sokken denken, halfzachte ‘flowerpower’ verhalen. Maar het is geen halfzacht verhaal. Net zo min als dat geldt van het Koran verhaal. Wanneer de Koran eerst het Oude en Nieuwe Testament heeft aangehaald, en eindigt met een eigen advies aan alle drie, jood, christen en moslim: Dus wedijvert met elkaar in goede daden is het juist een zeer krachtig verhaal: één van de zachte overmacht van de liefde. En daarbij is het tegelijkertijd ook nog eens goochem”.

Anton Wessels concludeerde zijn lezing met de volgende mooie woorden waaruit veel chokma/hikma blijkt: 

“Wil er ooit gerechtigheid en vrede in onze wereld komen dan heeft deze wereld leiders nodig die deze wijsheid bezitten (chokma, hikma), zo goochem zijn. Maar dan moeten die leiders wel (M.L.) Kingsize zijn.”

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.